Karakteristiek voor Westerwolde is:
• Kleinschalige beslotenheid met afwisselend esgehuchten, esdorpen, essen op dekzandkoppen met akkercomplexen, hooilanden in de beekdalen, kleine bosjes en houtwallen
• Esdorpen markeren de randen van het beekdal
• Wegen en paden hebben een meanderend beloop
• Contrast tussen het kleinschalig besloten esdorpenlandschap en het rationele, open heideontginningslandschap
• Rationeel verkaveld jong heideontginningslandschap met verspreid liggende agrarische bebouwing.

Het bochtige karakter van Onstwedde

Kenmerkend voor esdorpen is de ligging aan de rand van een beekdal en het spinneweb-achtige patroon van wegen en paden. Vanuit het centrum, met vaak een verruiming van de openbare ruimte (de brink), lopen wegen naar de verschillende onderdelen van het dorp. Deze wegen vinden hun oorsprong in het bewerken van het land. Ze verbonden vroeger het bouwland, de weiden en de woeste gronden met elkaar. Lange tijd bestonden deze wegen nog uit zandpaden. Een duidelijke hiërarchie in wegen ontbreekt en het verloop is vaak zeer bochtig.

Over de schetskaart

In het beekdal van Westerwolde heeft zich een kleinschalig besloten esdorpenlandschap ontwikkeld en daar omheen een veel rationeler en opener heideontginningslandschap. De Onstwedder Holte, een stuwwal, met zijn uitlopers naar de Höchte en de Tichelberg, vormt markant reliëf in het noordoosten.

Meer over landschap

Ten zuiden van de Dollardpolders ligt Westerwolde. Het beeksysteem van de Westerwoldse Aa met de daarin opgenomen grotendeels gekanaliseerde takken Mussel Aa en Ruiten Aa, vormt de kern van dit gebied. Het systeem is ontstaan in een breed dal dat onderdeel is van het fossiele riviersysteem van (een zijtak van) de Eems en dateert van de periode direct na de laatste ijstijd. De bewoning van Westerwolde is altijd op het beekdal gericht geweest. Toen in de omgeving uitgestrekte veengebieden ontstonden, bleef Westerwolde nog lang bewoond, maar raakte wel geïsoleerd. Pas in de (midden)ijzertijd verliet men het gebied, zo blijkt uit archeologisch onderzoek. Vanaf de middeleeuwen is Westerwolde opnieuw bewoond. In het beekdal heeft zich vanaf die tijd een kleinschalig besloten esdorpenlandschap ontwikkeld en daar om heen een veel rationeler en opener heideontginningslandschap. De Onstwedder Holte, een stuwwal, met zijn uitlopers naar de Höchte en de Tichelberg, vormt markant reliëf in het noordoosten.


Het esdorpenlandschap bestaat uit een langgerekte zone langs de Ruiten A met een afwisseling van esgehuchten (bijv. Smeerling en Ter Wisch) en esdorpen op de rand van het beekdal, essen met akkercomplexen op de dekzandkoppen en hooilanden in de beekdalen. De groenstructuur bestaat uit kleine bosjes en houtwallen. Het kleinschalige besloten karakter, en het meanderende beloop van wegen en paden zijn kenmerkend voor dit landschap. Zo is rondom de Ruiten Aa een hoofdroute door Westerwolde ontstaan met bebouwing langs de wegen. De bebouwing is niet planmatig, maar ligt verspreid en is organisch gegroeid. Vanuit het landschap laten esdorpen zich zien door groepjes boerderijen, half verscholen achter bomen, met een kerktoren er bovenuit.

Belangwekkend cultuurhistorisch ankerpunt in de zuidpunt van het esdorpenlandschap van Westerwolde vormt het klooster van Ter Apel, dat in 1464 door de Kruisheren is gesticht. Het kloostergebouw heeft na de Reductie gediend als voorpost voor de stad Groningen, de toenmalige eigenaar van de Heerlijkheid Westerwolde, en is grotendeels bewaard gebleven.


Rondom het dal van de Westerwoldse Aa ligt het jongere landschap van de heideontginningen. De heidevelden, die onlosmakkelijk verbonden waren met het landbouwsysteem van essen, zijn in het begin van de jaren ‘20 van de vorige eeuw ontgonnen in het kader van de werkverschaffing. Voorbeelden zijn het Jipsinghuizerveld en Sellingerbeetse. De aanleg van het Mussel-Aa-kanaal en het Ruiten-Aa-kanaal is hiervoor een stimulans geweest. Het landschap wordt gekenmerkt door openheid, een rationele verkaveling en rechte heideontginningswegen met verspreid liggende voornamelijk agrarische bebouwing. De ontginningen zijn wel minder rechtlijnig dan de oudere strikt opgestelde veenkoloniale ontginningen (zie Veenkoloniën), omdat ze hun basis vinden in landwegen, die deels samenvallen met oude verbindingen door het veld. Met name bij Sellingen zijn in de jaren dertig tot en met de jaren vijftig van de twintigste 20e eeuw bossen geplant op de heidevelden.


Westerwolde is van oudsher van strategisch belang, getuige de aanwezigheid van de burcht te Wedde. Aan de oostgrens van Groningen ligt een stelsel van leidijken en schansen, dat onderdeel is van een stelsel van verdedigingslinies langs de grens van de toenmalige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Vanaf het eind van de 16e eeuw kreeg het uitgestrekte en slecht toegankelijke Bourtanger Moor een militaire functie in de vrijheidsstrijd tegen Spanje. Door toenemende ontginning van het Bourtanger Moor werd het gebied echter toegankelijker. Leidijken werden aangelegd om het water in het moeras te houden en daarmee de verdedigingsfunctie op peil te houden. De schansen Oudeschans (Bellingwolderschans), Bonerschans en Bourtange sloten de route langs de noordkant en door het moeras af. Later werd Nieuweschans (Langakkerschans) aangelegd om ook het nieuwe land dat door inpoldering van de Dollard was ontstaan te kunnen verdedigen.

Blik in de dorpen

In het noorden van Westerwolde wordt de overgang naar de open polders van het Oldambt gekenmerkt door streekdorpen zoals de aaneengesloten groene dorpslinten Bellingwolde en Vriescheloo. In het esdorpenlandschap hebben de dorpen en gehuchten een duidelijk relatie met het omliggende landschap doordat ze een onderdeel vormen van het vroegere landbouwsysteem. De esgehuchten bestaan uit clusters van verspreide boerderijen omgeven door onregelmatig gevormde open ruimten. In Smeerling is zowel de structuur als het bebouwingsbeeld van een dergelijke ‘hoevezwerm’ gaaf bewaard gebleven. In grotere esdorpen is de oorspronkelijke verspreide en onregelmatige oorsprong grotendeels verdwenen door een aaneengesloten lintbebouwing langs de doorgaande wegen. De bebouwing staat hierin strak geordend op gelijke afstand van de weg.

Jonge ontginningsdorpen in het heideontginningslandschap zoals Mussel, Jipsingboertange, Veelerveen, Hebrecht en Harpel worden gekenmerkt door dun bebouwde linten, voornamelijk bestaand uit boerderijen, met soms enige komvorming bij kruisingen. De overwegend agrarische bebouwing is niet planmatig opgezet, maar onregelmatig gesitueerd en organisch gegroeid. De gebouwen zijn voornamelijk vrijstaand en ruim gesitueerd op grote erven.

Kenmerkende agrarische bebouwing

In het esdorpenlandschap wordt het beeld bepaald door oude boerderijen van het streekeigen, Westerwoldse type, waarbij het voorhuis asymmetrisch voor de grote, en hogere schuur is geplaatst.

In het heideontginningslandschap vinden we voornamelijk vrijstaande en ruim gesitueerde gebouwen op grote erven. De bebouwing is voornamelijk van na 1900. De boerderijen en keuterijen zijn vooral van het Oldambtster of krimpentype, waarbij alle functies onder een doorgaande nok zijn geplaatst en de hoofdvorm richting het voorhuis sprongsgewijs versmalt. In de jongere ontginningen komen ook veel naoorlogse boerderijen voor in de vorm van kop-(hals-)rompboerderijen in sobere Delftse Schoolarchitectuur.

Ontvang gratis de Kwaliteitsgids nieuwsbrief

Ontvang gratis de Kwaliteitsgids nieuwsbrief

Schrijf je in op onze nieuwsbrief & ontvang Kwaliteitsgids nieuwsbrief in je mailbox.