Karakteristiek voor het Zuidelijk Westerkwartier is:

• Contrast tussen de afwisselende reeksen van besloten zandruggen en open natte laagveengebieden
• Coulissen karakter van het houtsingellandschap
• Verwevenheid van de wegdorpen met het houtsingellandschap
• Langgerekt karakter van de enkelvoudige linten*** van de wegdorpen
• Kleinschaligheid en het overwegend sobere karakter van de bebouwing
• Natte landschapselementen in de vorm van de pingo ruïnes en petgaten
• Borgen, en kerken en boerderijen
• Het lineaire karakter van de wegen en kanalen in de veenkoloniale zuidpunt van het ZWK.

Dubbele wegstructuur

*** Uitzondering op de enkelvoudige linten is de dubbele wegstructuur. Kenmerkend voor de kernen in Zuidelijk Westerkwartier is de richting van de hoofdwegen, verlopend van zuidwest naar noordoost, licht slingerend over de zandruggen. Bij voldoende breedte van de zandrug komen op sommige plaatsen twee parallelle wegen voor, vaak als inleiding op een verschuiving in de occupatie-as. De ruimte tussen deze twee wegen is vaak grotendeels ingevuld als nieuwbouwwijk, zoals bijvoorbeeld bij Nuis

Over de schetskaart

Het landschap laat een afwisseling zien van hogere zandruggen en lagere laagveengebieden. In het besloten landschap liggen houtsingels langs erfscheidingen en haaks op de lengterichting van de zandruggen, in de open laagtes worden de percelen door sloten gescheiden. Karakteristiek voor het Zuidelijk Westerkwartier is de besloten houtsingelstructuur en de daarin aanwezige pingoruïnes en de open gebieden in de laagtes waar een flink areaal natuurgebied ligt.

Meer over het landschap

De basis van dit landschap is ontstaan tijdens de voorlaatste ijstijd en wordt gevormd door zuidwest-noordoost gelegen zandruggen (Langewold) en in het zuiden een zandplateau (Vredewold). Het centraal in het gebied gelegen dal van de Oude Riet/het Oude Diep vormt de scheiding tussen Langewold en Vredewold. Het gebied is een uitloper van het Drents plateau. De hogere zandgronden in dit gebied waren in de prehistorie zeer aantrekkelijk voor bewoning. In het ZWK zijn niet alleen veel vuurstenen werktuigen van jagers-verzamelaars gevonden, maar zijn ook bewoningssporen aangetroffen van de eerste landbouwers van de Trechterbekercultuur.

Zo’n 5000 jaar geleden begint een pakket van veen te vormen, als gevolg van vernatting van het landschap, dat uiteindelijk vrijwel het hele ZWK onder een dikke laag veen bedekt. Dit leidde ertoe dat het ZWK en de wijde omgeving werd verlaten en eeuwenlang niet bewoond werd. Vanaf waarschijnlijk de 7e eeuw na Chr. is men begonnen het gebied vanaf de beken te ontginnen door vegetatie te verwijderen, te ontwateren en de gronden als akkers in gebruik te nemen. De ontwatering had echter klink van het veen tot gevolg, waardoor de gronden te nat werden voor akkerland. Op zoek naar geschikte gronden schoof men langzaam op in de richting van de zandruggen, de dorpen schoven mee. Op de zandruggen stagneerden de verplaatsingen en hebben de huidige dorpen zich verder ontwikkeld tot een aaneengeregen structuur van wegdorpen, zoals Doezum, Grootegast, Sebaldeburen, Oldekerk en Niekerk. Bij de Vituskerk in Doezum en de kerk van Niekerk zijn nog tufstenen delen zichtbaar uit de 12e eeuw.

Een andere uitgesproken bewoningsas wordt gevormd door de wegdorpen van Tolbert, Niebert, Nuis en Marum. Hieraan liggen ook de kerken, die allemaal dateren uit de 13e-14e eeuw. Het Malijkse pad vormt een mooi voorbeeld van een tussen de Oude Riet en het dorp Marum aanwezige onverharde oude ontginningsas waarlangs zich het Iwemasteenhuis en de Coendersborch en tal van boerderijen hebben ontwikkeld.

Verspreid op de ruggen liggen pingoruïnes, (restanten van ijslenzen gevormd in de toenmalige poolwoestijn van de laatste ijstijd) die zich veelal als kleine ronde meertjes in het landschap manifesteren (bijv. Bolmeer). Rondpom pingoruïnes worden regelmatig sporen aangetroffen van tijdelijke kampementen van jagers-verzamelaars.

In de beekdalen is tegenwoordig weinig bebouwing aanwezig. In het grotendeels agrarische landschap liggen petgaten, die als gevolg van het uitbaggeren van laagveen zijn ontstaan. Daaromheen ligt vaak een groene zoom van opslag van elzen en wilgen en andere opgaande vegetatie passend bij natte/vochtige beekdalen (bijv. Peebos).

Het landschap van het zuidelijk deel van het ZWK is gevormd door systematische ontginning van het de Nienoorter en Smilder Venen, een uitgestrekt hoogveenmoeras. De eerstgenoemde vervening was in gang gezet door de heer van Nienoord. Hier zien we een rationele verkaveling met een hoofdstructuur van vaarten en wijken en rechte wegen. Aan de vaarten liggen bebouwingslinten met verspreide bebouwing die gerelateerd zijn aan de veenontginning. Jonkersvaart en Zevenhuizen zijn hier voorbeelden van.

Blik in de dorpen

In het ZWK is de bebouwing geconcentreerd langs de wegen die in de lengterichting het patroon van de langgerekte zandruggen volgen. De wegdorpen hebben een gelijkmatig langs het lint verspreide bebouwing waarbij de gebouwen in maat en situering geen extreme verschillen vertonen. Binnen de dorpskernen is de doorgaande hoofdweg het meest bepalende element. Traditioneel is de rijweg smal, en de bebouwingsstructuur kleinschalig. Het historische bebouwingsbeeld is overwegend eenvoudig van karakter. Het gebied kent een eigen, Westerkwartierse variant op de kop-rompboerderij, met een bescheiden woongedeelte in de kop. Een ander kenmerkend type is de stelpboerderij uit de jaren dertig van de 20e eeuw. Dit boerderijtype getuigt van de nauwe banden met Friesland, en komt buiten het ZWK nauwelijks in de provincie Groningen voor. Veel van de eenvoudige arbeiderswoningen en keuterijen zijn later vervangen, waarbij de hoofdvorm van het nieuwe huis vaak nog refereert aan de verdwenen bebouwing.

Door de kenmerkende coulissenstructuur van de houtsingels, met lengtesingels en dwarssingels, zijn er weinig lange zichtlijnen behalve in de lengterichting langs de hoofdweg. De singels lopen veelal door tot in de kern van de dorpen en zijn mede bepalend voor het streekeigen karakter van de dorpskom. Doordat de dorpen als het ware verweven zijn in de houtsingelstructuur worden er vanuit het omliggende landschap nauwelijks dorpssilhouetten ervaren. Binnen de houtsingelstructuur gaan veel in aard uiteenlopende kleinschalige ondernemingen min of meer op.

In het veenkoloniale gebied in de zuidpunt van het ZWK bestaan de dorpen ook uit langgerekte lintdorpen. De kanalen vormen hier de ontginningsbasis en zijn ruimtelijk het meest bepalend voor de structuur van de dorpen.

Ontvang gratis de Kwaliteitsgids nieuwsbrief

Ontvang gratis de Kwaliteitsgids nieuwsbrief

Schrijf je in op onze nieuwsbrief & ontvang Kwaliteitsgids nieuwsbrief in je mailbox.